Iedereen heeft recht op zelf nadenken

Iedereen heeft recht op zelf nadenken
22 maart 2021 Taleswapper

“Iedereen heeft recht op zelf nadenken”

Interview met Samira Bouchibti, auteur van Nederland is van ons allemaal

 Je zet je al jarenlang in voor jongeren. In de Tweede Kamer was je o.a. woordvoerder Jeugdzorg en ook lokaal heb je beziggehouden met jeugdbeleid in brede zin. Nu is er dit boek: Nederland is van ons allemaal, handboek voor burgerschap, bedoeld om burgerschapsonderwijs op maat aan te bieden. Vanwaar deze betrokkenheid bij jongeren en onderwijs?

“Ik heb zelf een schoolgaande dochter van 8 jaar, dus ik ben op dit moment direct betrokken bij het onderwijs. Maar onderwijs heb ik altijd heel erg belangrijk gevonden. Ook vanuit mijn eigen achtergrond als dochter van twee analfabete migrantenouders. Goed onderwijs voor alle kinderen is belangrijk en een recht. De kwaliteit van ons onderwijs glijdt al 20 jaar af. Jongeren gaan van school zonder fatsoenlijk te kunnen lezen, schrijven of rekenen. En er is ook sprake van stagnatie op het gebied van burgerschaps- en cultuuronderwijs.”

 Hoe zie je dat in relatie tot categoraal onderwijs?

“Categoraal onderwijs aanbieden is een keuze en geen plicht. Volgens een onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) hebben vmbo’ers, havoleerlingen en vwo’ers weinig contact met jongeren met een andere achtergrond. Dit kan leiden tot een grote afstand tussen verschillende groepen in de samenleving. Waarom zetten scholen en gemeenten niet in op brede scholen? En waarom doen we nog steeds aan vroege selectie? We weten allemaal dat dit niet goed is voor de leerresultaten van kinderen. Nu worden kinderen al op 11 of 12-jarige leeftijd geselecteerd voor óf theoretisch óf beroepsgericht leren. Een doorlopende leerlijn tot een jaar of veertien, of ouder, biedt meer ruimte aan kinderen om zich te ontwikkelen. Met brede scholen breng je de kinderen niet alleen samen, maar de leerprestaties zijn ook beter op deze scholen.”

“Ik maak me oprecht zorgen over het dreigende verlies van samenlevingsverbanden en het toenemende ‘wij/zij-denken’. Als er geen verandering komt in de samenstelling van scholen, zal de scheiding tussen jongeren met verschillende sociale achtergronden (vooral die mét en die zónder een migratieachtergrond) in de toekomst alleen maar toenemen. Hierin spelen niet alleen sociaaleconomische en demografische factoren een rol, maar ook factoren als de inrichting van het onderwijs en de ‘witte vlucht’. Als je dat bekijkt in termen van kansengelijkheid, dan ligt hier natuurlijk een hele grote opdracht.”

De titel van je boek is: ‘Nederland is van ons allemaal’. Wie is de ‘ons’ in deze zin?

“Met ‘ons’ bedoel ik iedereen die in Nederland woont. Dat zijn dus alle ruim 17 miljoen huidige inwoners. Mensen moeten eerlijk beloond worden voor hun werk. En jongeren hebben recht op kwalitatief goed onderwijs en gelijke kansen. Nederland is van ons allemaal en niet alleen van de elite of van kinderen van hoger opgeleide en rijke ouders. Deze mensen en hun kinderen vinden hun weg wel. Het risico op een onderwijsachterstand is bij een kind van ouders met een lage sociale en economische status het grootst. Niet-opgeleide, analfabete ouders kunnen liefdevol en warm zijn, maar hun kinderen worden helaas met een achterstand opgezadeld. Hier moeten we iets aan doen! Ik vind het een vorm van beschaving als je als samenleving ervoor zorgt dat alle kinderen gelijke kansen krijgen en mee kunnen komen.”

Wordt dat ook zo ervaren door de jongeren die je spreekt? Dat Nederland ‘van ons allemaal is’? Voelen zij zich Nederlander?

“Heel veel studenten hebben moeite met hun plek vinden in de samenleving. Zij ervaren dat, hoe hard ze ook werken en wat zij ook doen om erbij te mogen horen, nooit volwaardig deel uitmaken van deze samenleving. Ze hebben het gevoel dat ze minder kansen krijgen om iets waardevols neer te zetten, omdat ze worden beoordeeld op hun huidskleur of hun culturele of religieuze achtergrond. Wij weten al jaren dat een aanzienlijk deel van onze jongeren opgroeit in een witte of een zwarte bubbel. En dat zij zich in sociaal, economisch, cultureel, religieus en intellectueel opzicht gescheiden werelden ontwikkelen. Jongeren komen niet alleen op een steeds grotere afstand van de samenleving te staan maar ook van elkaar. Andere culturen kennen zij voornamelijk van internet of sociale media, waar de vooroordelen die ze vaak hebben, worden bevestigd. Het ‘wij/zij-denken’ is gemeengoed geworden. Veel jongeren, hier geboren en getogen, zeggen ‘Ik ben geen Nederlander en dat wil ik ook niet zijn. Zij willen ons niet, dan wil ik ook niet bij hen horen’. En hoe ouder ze worden, hoe meer ik dat hoor. Ze vragen aan mij wat dat is: Nederlander-zijn. Ik geef daar geen antwoord op, maar ga met de leerlingen op zoek naar het antwoord.”

“Ik kan zelf wel uitleggen waarom ik me Nederlander voel of niet, maar ik vind dat zij hier zelf over na moeten denken. Samen zoeken we antwoord op vragen als: wat hebben wij gemeen? Wat bindt ons en wat delen wij? Hierover gaan wij in dialoog. En natuurlijk kunnen we het ook hebben over de verschillen in opvattingen en meningen. We hoeven jet niet altijd met elkaar eens te zijn. Consensus is niet het doel. Het doel is leren om met elkaar in gesprek te gaan, ook over moeilijke en gepolariseerde thema’s. En zomaar iets roepen volstaat niet: als je iemand wilt overtuigen moet je argumenten inzetten. En ook naar anderen luisteren en vragen stellen.”

“Het mooie is, dat je dit soort filosofische gesprekken overal kunt voeren. Ik ben soms op basisscholen en dan hebben we het twee uur lang over artikel 1 van de Grondwet (zie kader). Twee uur lang, maar het werkt, omdat de kinderen aanslaan op de vragen. En ik sla aan op hun antwoorden. Ik laat leerlingen niet alleen van buiten naar binnen denken, maar ook van binnen naar buiten voelen. En zij moeten vooral zelf leren nadenken. Dus niet ‘mijn ouders of vrienden vinden’ maar ‘ik vind’. Kinderen zijn echt hele bijzondere mensen. Zij weten niet alleen heel erg veel maar ook veel meer dan zij denken. Ik geloof in kinderen.”

“Kinderen zijn echt hele bijzondere mensen. Ik geloof in kinderen.”

Om goed met vragen van leerlingen om te kunnen gaan moet je ook goed kunnen luisteren. Denk je dat docenten over voldoende gespreks- en luistervaardigheden beschikken?

“Heel veel docenten wel. En anderen niet. Ik heb zelf op een katholieke basisschool gezeten, waar je vooral moest luisteren omdat er veel werd gezonden. Wij leven nu in een andere tijd, waarin een docent ook moet kunnen ontvangen. Gelukkig krijgen leerlingen in deze tijd veel meer de ruimte. Om te praten, denken en om te leren discussiëren of filosoferen. Het is belangrijk dat je als docent je leerlingen kunt begeleiden bij zulke gesprekken. Dat er niet alleen maar meningen gespuid worden, maar dat die ook worden onderbouwd. Dat je ook naar de standpunten van anderen leert luisteren. En dat je leerlingen die niet uit zichzelf het hoogste woord hebben, ook gespreksruimte biedt. Dat zijn gespreksvaardigheden waarin docenten opgeleid of bijgeschoold moeten worden.”

Je boek en de bijbehorende website is een ware schatkist vol informatie. Hoe wordt het boek in de praktijk gebruikt?

“Je moet het handboek zien als een breed en rijk aanbod van veel verschillende thema’s en onderwerpen, die allemaal door docenten gebruikt kunnen worden om lessen op maat te maken. En vooral om gesprekken aan te gaan. Dit kan op alle niveaus. Je kunt bijvoorbeeld artikel 11 van de Grondwet bespreken: de onaantastbaarheid van het lichaam en het recht op zelfbeschikking. In het kader van het thema ‘zelfbeschikking’ kun je het hebben over het recht om verliefd te worden op wie je wilt of te trouwen met wie je wilt. Maar ook over euthanasie of het recht op abortus, als je dit thema met studenten bespreekt. Het handboek biedt verschillende handvatten om ethische vraagstukken te verhelderen en samen te bespreken. Met de Grondwet als leidraad. Verschillende kernwaarden worden uitgebreid behandeld, onder andere: vrijheid, solidariteit, gelijkwaardigheid. En ook de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging en de vrijheid van meningsuiting. De Grondwet is een uitstekend middel om in dialoog te gaan over belangrijke maatschappelijke en sociale onderwerpen. Tegelijkertijd leer je studenten welke rechten en plichten ze hebben en hoe ze zelf kunnen bijdragen aan onze samenleving.”

 Burgerschapsonderwijs vraagt om brede, actuele kennis en goede gespreksvaardigheden. Docenten hebben al te maken met grote klassen en weinig tijd voor extra taken. Wat is er volgens jou nodig om burgerschapsonderwijs te laten slagen?

“Tijd is de vijand van het onderwijs. Er is altijd gebrek aan tijd, maar scholen moeten ruimte maken voor burgerschapsonderwijs. Dat is een wettelijke opdracht. Burgerschapsonderwijs moet planmatig worden ingericht en er moet sprake zijn van een doorlopende leerlijn. In het middelbaar beroepsonderwijs wordt niet één maar vier jaar burgerschapsonderwijs gegeven. Binnen scholen moet er sprake zijn van eenduidigheid en de kwalificatie-eisen moeten niet te globaal worden geformuleerd. Maar docenten moeten wel altijd voldoende ruimte houden voor maatwerk. En het vak moet op het mbo geplaatst worden in de beroepscontext. En weet je wat ook helpt? De afrondingseis duidelijk maken. In de onderwijs- en examenregeling moeten scholen duidelijk vastleggen aan welke eisen een student moet voldoen om gediplomeerd te worden. Burgerschapsonderwijs moet de aandacht krijgen die het verdient. En het vak moet vooral niet alleen door docenten worden gegeven die toevallig een paar uurtjes over hebben.”

“Het wordt tijd dat burgerschap als volwaardig vak wordt gezien.”

Je zegt dat scholen een visie moeten ontwikkelen op burgerschap. In je boek heb je het ook over een door de school opgesteld moreel kompas waar docenten op terug moeten kunnen vallen. Vorig jaar is er door de Inspectie van het Onderwijs onderzoek gedaan naar de morele opvattingen van scholen. Uit dit themaonderzoek blijkt dat een deel van de scholen er onvoldoende zorg voor draagt dat de basiswaarden van de democratische rechtsstaat actief worden bevorderd. Basiswaarden als verdraagzaamheid, gelijkwaardigheid en het afwijzen van discriminatie. Hieruit blijkt dat lang niet alle scholen in staat zijn om zo’n moreel kompas op te stellen en te handhaven. Wat betekent dat voor het burgerschapsonderwijs?

“Scholen hebben niet altijd een heldere visie op verschillende maatschappelijke dilemma’s. Hierdoor zijn ze niet altijd consequent in hun handelen. Een moreel kompas heeft alles te maken met een veilig sociaal schoolklimaat. Veilig om jezelf te kunnen zijn, ongeacht je gender, seksuele voorkeur, religie of afkomst. In een onveilig klimaat kunnen leerlingen en docenten zichzelf niet zijn en dat is voor niemand goed. Het is belangrijk om als school een moreel kompas te hebben, waarover alle betrokkenen het eens zijn. Als je waarden, normen en grondbeginselen onderdeel maakt van een kader, is het mogelijk om niet alleen diversiteit en inclusie te respecteren, maar ook de sociale veiligheid.”

 

In 2018 adviseerde de commissie-Remkes om de vakken maatschappijleer en geschiedenis, waarin het burgerschapsonderwijs vaak een plek vindt, dezelfde status te geven als de vakken taal en rekenen. Is dat nodig denk je, om de status van deze vakken te verbeteren?

“Het wordt inderdaad tijd dat burgerschap als volwaardig vak wordt gezien. Het gaat bij burgerschapsonderwijs niet alleen om waardering of tijd. Het gaat ook om erkenning. Een school leidt niet alleen op tot economisch nuttige mensen. De taak van een school is veel breder. Tijdens burgerschapslessen geef je aandacht aan drijfveren, idealen, verlangens, motivaties en levensvragen, zodat studenten de uitdagingen die horen bij de weg naar volwassenheid, beter het hoofd kunnen bieden. De leerlijn burgerschap moet zo ingericht worden dat studenten tot betrokken, evenwichtige, zelfstandige, sociale en verantwoordelijke individuen worden gevormd. Zodat ze met veel zelfvertrouwen de maatschappij in worden gestuurd. Ook de statuskloof tussen vmbo en vwo moet trouwens geslecht. Waarom wordt het een vmbo-leerling lager gewaardeerd dan een havist? Wij hebben álle mensen nodig. Ik vind het ook raar om te denken dat jongeren die met hun handen werken, minder hoeven na te denken of reflecteren. Álle jongeren hebben het recht om zelf na te denken. Dus ja, als dat advies van Remkes helpt om verschillen weg te werken, dan lijkt mij dat een goede eerste stap.”

 Iedereen heeft recht op zelf nadenken, mooi dat je dat zo zegt. Die ruimte om zelf na te denken en om met elkaar in dialoog te gaan of te filosoferen, moeten we dus bieden op alle scholen, in alle jaarlagen en op alle niveaus?

“Ja! Nederland is van ons allemaal en burgerschapsonderwijs ook. Klimaatverandering, terrorisme, vrijheid van meningsuiting, godsdienstvrijheid, racisme en discriminatie: deze grote thema’s en tal van andere thema’s hebben impact op onze samenleving en op de toekomst van onze jongeren.”

Artikel 1

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

 

Veel van het materiaal dat in het boek Nederland is van ons allemaal wordt aangeboden, is ook te vinden ook op de website www.nederlandisvanonsallemaal.info.